Amsterdam moet geen cashewnoten economie worden. Als de creatieve economie de overhand krijgt moeten we vrezen voor herhaling van de internet zeepbel. De Fokker affaire en de scheepsbouw hebben bewezen dat overheidssteun niet werkt en daarom moet Amsterdam zich niet inlaten met steun aan de nieuwe mediasector. Dit is waar Herman Stil en Marcel Wiegman het gemeentebestuur voor waarschuwden in een paginagroot artikel in het Parool van 20 maart 2006. Wiegman en Stil richten hun pijlen vooral tegen wat zij de verleidingskunst van Richard Florida noemen. Is de wens de vader van de creatieve stad? Jeroen Saris schreef een reactie. Die is vandaag nog steeds actueel.
Het pleidooi voor een gemengde en gedifferentieerde economie is juist, maar de vergelijking tussen Amsterdam en de cashew noten economie van Guinee Bissau gaat volledig mank. De grote vrees van het bedrijfsleven in de jaren tachtig was dat met het vertrek van de industrie de Amsterdamse economie zou instorten. Dat dit niet gebeurd is en dat de staatssteun aan noodlijdende bedrijven evenmin heeft geholpen om de industrie te redden als het alsmaar aanleggen van nieuwe bedrijfsterreinen, is een goede reden om de vraag nu eens om te keren. Hoe komt het dat Amsterdam zo welvarend is geworden terwijl de industrie grotendeels vertrokken is? Nieuwe verschijnselen, zoals de creatieve stad, mogen met argwaan benaderd worden maar dat is geen reden om ze niet serieus te nemen. Wat zijn de feiten?

Amsterdam staat boven aan de lijst van Nederlandse steden als het gaat om de absolute omvang van de creatieve klasse in de economie. In de top van de ranglijst staan ook steden als Utrecht, Hilversum, ’s-Hertogenbosch en Eindhoven. Niet toevallig hebben dezelfde steden in de afgelopen jaren een snellere economische groei doorgemaakt dan steden die veel lager scoren zoals Rotterdam, Dordrecht en Den Haag. De oorzaak van dit verschil is dat de laatste groep steden nog zwaar te lijden heeft onder de neergang van de industrie en slechts beperkt heeft geprofiteerd van de bloei van de kenniseconomie. Innovatie blijkt de kurk van de economie te zijn. De cashewnoten zitten in de kapitaalsintensieve (olie) industrie en in de distributie georiënteerde regio’s. Met uitzondering van Eindhoven, maar daar is de industrie kennisintensief en wordt de helft van de Nederlandse Research en Development uitgaven besteed.

De cijfers van Florida over de concurrentiekracht van landen in Europa bevestigen hetzelfde beeld op Europese schaal. De landenscores op de samengestelde creativity index lopen sterk parallel met de economische prestaties uitgedrukt in BNP per hoofd.

De noordelijke landen verslaan de grote, zoals Frankrijk, Duitsland en Engeland. Nederland doet het opmerkelijk goed op de Euro creativity index met een derde plaats na Zweden en Finland. Nederland scoort het beste, na de VS, op de indexen 'human capital' en omvang van de ‘creative class'. Nederland doet het met een vijfde plaats in innovatie en in de high tech met een 3e plaats beter dan veelal wordt aangenomen. Op het thema tolerantie, volgens Florida een belangrijke factor in het aantrekken van talent, scoort heel Europa beter dan de VS. Zou het creatieve talent van de wereld om die reden liever naar ons land komen? We verwachten voorlopig van niet.

Nederland staat op een beschamende 10e plaats als het gaat om scientific talent, het aantal wetenschappelijke onderzoekers, en op een achtste plaats in uitgaven voor research en development. De vooruitzichten zijn ook niet goed. Op de trend index, de voorspeller van toekomstige groei, zakt Nederland naar een 11e plaats. Nederland neemt bij de groei van R&D een 12e plaats in en bij het kweken van talent een achtste plaats. Dan hoeft het niet te verbazen dat de toppositie in de patentenproductie verloren zal gaan: een 10e plaats. Nederland betaalt de tol voor het falend wetenschapsbeleid van de afgelopen decennia.

Het is dus heel verstandig van het Amsterdamse gemeentebestuur om de kracht van Amsterdam als creatieve stad volledig te benutten. De aantrekkingskracht van ons land op de creatiefste en knapste mensen van alle continenten wordt het snelst vergroot door te investeren in een wetenschappelijk topklimaat en een soepel immigratiebeleid voor hoogopgeleiden migranten. Wethouder Dales had gelijk toen hij de hoogopgeleide Rotterdamse asielzoekers opriep naar Amsterdam komen, maar dan moet Amsterdam wel een wetenschappelijk topklimaat kunnen bieden.

De tweede uitdaging voor Amsterdam ligt op regionale schaal. De creatieve stad met zijn grote verscheidenheid aan economische activiteiten heeft behoefte aan experimenteerruimte en plekken waar verbindingen tot stand kunnen komen tussen kennis, creativiteit en economie. De creatieve klasse van Amsterdam bestaat veelal uit jonge mensen die hier naartoe zijn gekomen om een vak te leren of te genieten van vrije ruimte van het stadsleven. Naast een sprankelend stedelijk klimaat, vragen zij om ruimte die betaalbaar is, karakteristiek en liefst gelegen in de ring om de binnenstad heen. Amsterdam doet er goed aan om er voor te zorgen dat deze ring zich verder gaat uitstrekken tot Amsterdam Noord en Zaanstad, maar ook tot in de westelijke tuinsteden, zodat ook deze zich kunnen ontwikkelen tot de boeinesten van de creatieve klasse. Ook in een wijk als de Bijlmermeer barst het van het creatieve talent. De instroom van deze groepen zal naast de groei aan startende bedrijven ook een andere levensstijl met andere mogelijkheden voor ontmoeting, cultuur en vertier op leveren. Voorwaarde is wel dat deze plekken niet te duur mogen worden en niet te strak aan regels gebonden. Deze ontwikkeling past goed bij de ‘vrijbuitercultuur’ van Amsterdam.

Er is beslist geen tegenstelling tussen de creatieve stad en sociale woningbouw. De creatieve economie van Amsterdam heeft vooral betaalbare ruimte nodig om te wonen en te werken. Het denken in de volkshuisvesting in termen van kwantitatieve woningbouwopgaven, woonwijken en woonmilieus is weer wel een hinderpaal in het transformeren van verouderde stadsdelen naar de gemengde creatieve milieus die de creatieve stad nodig zal hebben om zijn aanstormend talent in op te vangen en tot bloei te laten komen.

De Jutlandisering waarover in het verleden smalend werd gesproken door de voorstanders van grote infrastructuur (Betuwelijn) krijgt een heel ander perspectief door de snelle ontwikkeling in de regio Kopenhagen en Zuid Zweden waar de brug over de Sont heeft gezorgd voor één heel groot kennisland. Investeren in de stedelijke regio als marktplaats voor de creatieve klasse legt de noordelijke landen geen windeieren. Liever een creatieve kurk, dan een industriële zeepbel.